DISCLAIMER
De content op deze site is bedoeld om kennis over fiscaliteiten die kleven aan de aanschaf, het bezit, en de verkoop van Edelmetaal te verspreiden. De content mag niet worden opgevat als een advies. Aan de informatie op www.europtie.nl kunnen geen rechten worden ontleend. We zijn niet aansprakelijk voor schade door onjuiste of onvolledige informatie vermeld op www.europtie.nl. Ook aanvaarden we geen verantwoordelijkheid over de inhoud van gelinkte websites.
DISCLAIMER
Aan de informatie op www.europtie.nl kunnen geen rechten worden ontleend. We zijn niet aansprakelijk voor schade door onjuiste of onvolledige informatie vermeld op www.europtie.nl. Ook aanvaarden we geen verantwoordelijkheid over de inhoud van gelinkte websites.
DISCLAIMER
Aan de informatie op www.europtie.nl kunnen geen rechten worden ontleend. We zijn niet aansprakelijk voor schade door onjuiste of onvolledige informatie vermeld op www.europtie.nl. Ook aanvaarden we geen verantwoordelijkheid over de inhoud van gelinkte websites.
DISCLAIMER
Aan de informatie op www.europtie.nl kunnen geen rechten worden ontleend. We zijn niet aansprakelijk voor schade door onjuiste of onvolledige informatie vermeld op www.europtie.nl. Ook aanvaarden we geen verantwoordelijkheid over de inhoud van gelinkte websites.
Ga naar de inhoud

Bezwaar- Beroepsgronden Rechtzaken Btw Goud Zilver

____________________________________________
Laatste Update: 1 juni 2021.

Op voorwaarde van een deugdelijke motivatie hadden de belanghebbenden met elk besluit kunnen leven. Op zoek naar rechtszekerheid bestaat er niet de doctrine van winnen en verliezen, zoals de meesten dat voor ogen hebben. De besluiten volgend op de bezwaren ingediend bij de Belastingdienst Amsterdam werden met weinig toelichting uitgereikt.

In het behandelen van de procedures en de daarin vervatte Beroepsgronden voorgelegd aan de Rechtbank Haarlem, Rechtbank Amsterdam, Gerechtshof Amsterdam, Gerechtshof Den Haag, Hoge Raad richt ik mij op de zaak van één belanghebbende. De belanghebbende waar ik over spreek kocht enkele honderden kilo's zilver, kilo's goud, en verkocht bij meerdere transacties zijn gehele voorraad. Met regelmaat kocht en verkocht de belanghebbende zilver. Hij moest met zijn gewoonte stoppen nadat hem de Btw-registratie werd geweigerd, en de rechtsonzekerheid toenam.

Omdat de onderbouwing van het standpunt van de Belastingdienst kort was, volgt die hier integraal:

'Voor het zijn van ondernemer is nodig dat er sprake is van economische activiteiten. Sinds de invoering van de Wet op de omzetbelasting 1968 is dit geïnterpreteerd als door geregelde deelname aan het economische verkeer maatschappelijke behoeften bevredigen. Daarvan is in casu geen sprake. Uw cliënt treedt niet actief op in de handel in edelmetaal, maar, als belegger, steekt hij slechts in edelmetaal om dat op een gunstig moment af te stoten. Dat is ten enenmale te weinig om te kunnen kwalificeren als economische activiteit.
Ik zal niet weerspreken dat mijn collega en ik zelf gaande weg bijgeleerd hebben. Maar nooit is gesteld dat een belanghebbende die wij vertegenwoordigd hebben een belegger voor de Btw was. De Btw-wetgeving verlangt geen motief, dus ook niet de melding daarvan. Er werd wel bij de Btw-aanmelding een verklaring gegeven waarom belanghebbende zich niet registreerde als IB-ondernemer.

Een aardappelboer kan net als een goudhandelaar gedwongen worden op een ongunstig moment te verkopen. En diegene die met verlies verkoopt is nog steeds Btw-ondernemer. Als iemand zin in een ijsje heeft, wat doet de ijscoman dan met het leveren van een ijsje? Die bevredigd een behoefte. Dat kan toch niet anders zijn als naar behoefte goud of zilver geleverd is. Bezwaarschriften werden opgesteld volgens de inhoud van deze website, de leermomenten werden telkens gedeeld met de Belastingdienst. De door de Belastingdienst aan belanghebbende geplakt motief van 'belegger' werd telkens bestreden als voor de Btw irrelevant.

Diegene die wil vasthouden aan het idee dat de belegger in edelmetaal niet getroffen zal worden door Btw-wetgeving die bedenkt zich beter. Bedenk dat het predicaat van belegger door de Belastingdienst werd gebezigd. Stel dat het label van 'protestant' of 'ontwijker' aan een geval wordt geplakt, dan plots hebben uitspraken betrekking hebbende op de belegger hoe dan ook al geen betekenis meer. En daarom dient voor de Btw motief niet de basis van een beslissing te zijn, dat stelt de Btw-wetgeving zelf. Dat motief in deze zaak mocht worden opgeplakt en van relevantie mocht zijn is uniek in de Btw-rechtspraak!

Bij het beschrijven van het Geschil wordt in het beroepschrift van belanghebbende opgemerkt:

...de toelichting die van de kant van de Belastingdienst bij die conclusies komt is in elk geval summier te noemen. Sindsdien kan het vermoeden wortel schieten dat aan de kant van de Belastingdienst een 'speciale' last rust, waardoor de Belastingdienst in het geval van de heer X volharden moet in standpunten betreffende zijn zaak, met de summiere toelichting die daarbij kennelijk maar mogelijk is.

Nadere overwegingen vooraf, citaten uit de beroepschriften:

De handel houdt hier in dat de bewuste grondstoffen ingekocht worden voor eigen rekening, om op een later moment verkocht te worden voor eigen rekening.

Aankoop houdt in dat door de verkoper aan de heer X het recht wordt verschaft om over de bewuste grondstoffen te beschikken als eigenaar. Verkoop houdt het spiegelbeeld in, namelijk dat de heer X het bewuste recht prijsgeeft onder gelijktijdige verwerving daarvan door de koper.

De heer X voegt, zoals gebruikelijk bij een 'zuivere' handelaar, geen waarde toe aan de bewuste grondstoffen. De heer X onthoudt zich van al dan niet industriële be- of verwerking, in welke zin dan ook.

De grondstoffen fungeren niet anders dan als handelsvoorraad, en worden ook als zodanig door de heer X zelf fysiek opgeslagen.

Bij verkoop van grondstoffen uit de (handels)voorraad streeft de heer X niet noodzakelijkerwijs naar een hogere verkoopopbrengst dan de inkoopprijs. Een waardeverschil wordt in elk geval niet gerealiseerd door bewerkingen of andere vormen van 'waardetoevoeging' vanwege de heer X, maar door de (in zoverre op te vatten als autonome) waardeontwikkeling uitgedrukt in euro's in de markt. Dé invloed die de heer X kan laten gelden als handelaar is de 'timing' van het ter verkoop aanbieden van grondstoffen uit zijn voorraad.

Voor de 'timing' als bedoeld mikkend op een positief resultaat in euro uitgedrukt is de heer X grotendeels afhankelijk van kennis van anderen, en vanzelfsprekend van persoonlijke omstandigheden. Subjectieve vergelijken of persoonlijke capaciteiten bij de handelaar in grondstoffen als de heer X spelen geen enkele rol. Sterker, als iedere handelaar zich baseert op een 'gunstige' timing die objectief meetbaar zou zijn, dan koopt iedere handelaar op het gelijke moment, met als resultaat dat op dat 'gunstige moment' geen handel kan plaatshebben omdat iedere handelaar tegelijkertijd kiest te willen kopen, en dan niet wil verkopen, of visa versa.

Er wordt nog een Verzoek Voorlopige Voorziening ingediend (zonder Btw-nummer kan een handelaar niet vrij handelen), de zaak van de heer X wordt in de hoofdzaak gevoegd met die van enkele anderen. En daarom is hierna in de citaten niet altijd sprake van de heer X, maar ook van belanghebbenden:

Zoveel is duidelijk dat de Belastingdienst van mening is dat er ten aanzien van goud en de handel in goud geen reden is tot zorg of de fiscale verplichtingen wel of niet worden nagekomen. En voorzover namens belanghebbenden en te hunner aanzien zorgen zijn geuit, zijn die in feite weggewuifd.

Belanghebbenden weten zich daarom verzekerd van de bescherming door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Belastingdienst heeft in rechte te beschermen vertrouwen opgewekt dat hen niets zal gebeuren.

Maar wat is dat vertrouwen waard? Bitter weinig ... En wat is het door de huidige bestuur opgewekt vertrouwen bovendien waard tegenover een toekomstig bestuur?

Functiedragers vanwege de overheid en andere deskundigen uiten in een lange rij sinds de laatste financiële en economische crisis (die van 2008) zijn aanvang nam (en niet voor het eerst) hun zorgen over de houdbaarheid van het financiële systeem, met waar nodig verwijzingen naar de crisis van de jaren 30.

Het behoeft geen nader betoog dat deze crisis en de geuite beeldvorming daaromtrent, oplettende personen doet uitzien naar andere middelen om te voorzien in ten minste welvaartsbehoud en het behoeft nog minder betoog dat een belangrijk middel daarin goud (en andere edelmetalen) vormt.

Waar het om gaat is dat de door het huidige bestuur geuite zorgen, niet zozeer belanghebbenden schaden in hun vertrouwen in het huidige bestuur (integendeel!), maar wel wantrouwen wekken richting een toekomstig bestuur.

En het is juist daarom dat belanghebbenden … vertrouwen wensen te ontlenen aan de wet- en regelgeving waarvan het huidige bestuur geacht kan worden een getrouw dienaar te zijn.

Het is met name de onzekerheid over een toekomstig bestuur (waarin paradoxaal genoeg juist goud en andere edelmetalen als 'safe haven' een belangrijke rol wordt toegedicht), in combinatie met deze in het positieve recht voorziene (confiscatie)mogelijkheden, die bedachtzame burgers ertoe zal brengen om zich op voorhand, vrijwillig en consequent te onderwerpen aan toezicht door het opvolgen van alle formele en materiële verplichtingen die de Wet OB stelt. En daarmee vertrouwen te stellen in het huidige bestuur.

Maar iedere keer ontmoeten mijn cliënten een zekere mr. Chamberlain als vertegenwoordiger van dit bestuursorgaan...

Dan de Standpunten van Belanghebbenden

Primair: belastingplicht ex artikel 7 Wet OB/artikel 9 Richtlijn

Belanghebbenden weten zich als handelaar in artikel 9 Richtlijn aangewezen als belastingplichtige.

Belanghebbenden kopen deze goederen aan, slaan deze goederen op en verkopen deze goederen vervolgens weer.

Volgens de Belastingdienst treden de belanghebbenden 'niet actief op', 'maar als belegger'. En dat doen zij door middel van 'het steken van geld in edelmetaal om dat op een gunstig moment af te stoten'. Dat zou geen 'geregelde deelname aan het economisch verkeer om maatschappelijke behoeften te bevredigen', inhouden.

Voorzover de Belastingdienst met gebruik van het begrip 'belegger' en de verwijzing naar het 'steken van geld', bedoeld een mening te hebben over het oogmerk of resultaat van die activiteit, beroepen belanghebbenden zich op datzelfde artikel 9 dat in de aanhef stelt dat die zaken feitelijk niet worden geacht ('ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit').

De Belastingdienst ontkent niet dat het 'steken van geld in en het later afstoten van edelmetaal' plaatsvindt door middel van aankoop van de bewuste goederen, het opslaan ervan en het vervolgens wederverkopen.

Wederom onder verwijzing naar de aanhef van artikel 9, eerste lid Richtlijn, wordt belastingplicht voor de omzetbelasting objectief beoordeeld.

Een objectieve beoordeling brengt mee dat de goederen worden aangekocht, opgeslagen en verkocht. En dat daarmee maatschappelijke behoeften worden bevredigd én deelgenomen wordt aan het economische verkeer is evident. Sterker nog: Dit zijn feiten die de Belastingdienst niet weerspreekt.

Er rest dan ook geen andere conclusie dan dat de Belastingdienst geen dragende gronden aanvoert voor de afwijzing van het bezwaar en daarmee voor de bestreden beschikking.

Subsidiair: belastingplicht ex bijzondere regeling

Subsidiair stellen belanghebbenden zich op het standpunt dat de bijzondere regeling voor beleggingsgoud een eigen betekenis heeft voor de beoordeling van belastingplicht en voor hen ook leidt tot belastingplicht.

De Richtlijn koppelt de hiervoor uitvoerig besproken voorschriften consequent aan het meerbesproken begrip handelaar. Deze handelaar gaan de rechten en verplichtingen van de bijzondere regeling aan en deze handelaar kan dan ook de uit deze bepalingen af te leiden rechtsbescherming inroepen.

Het is onweersproken dat belanghebbenden handelaren zijn in (beleggings-)goud en overige edele metalen. Dat belanghebbenden met deze handel goud en andere edele metalen gebruiken als financieel instrument is juist met de invoering van de bijzondere regeling beoogd en kan belanghebbenden dan ook niet tegengeworpen worden. De Europese Commissie introduceert de nieuwe regeling immers met 'promotion of the use of gold as financial instrument'.

In de context van de regeling is belastingplicht voor handelaren die goud als financieel instrument gebruiken derhalve gegeven.

Meer specifiek voor de Nederlandse situatie overwegen wij het volgende. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de staatssecretaris diverse misverstanden uit de weg moeten ruimen. Mijn collega gemachtigde heeft dit in bijlage 1 uitvoerig toegelicht, waarnaar ik ook verwijs. In ieder geval leefde het misverstand dat een handelaar pas een boekhouding zou moeten voeren als hij handelingen betreffende beleggingsgoud zou uitvoeren met een waarde van ƒ25.000 of meer. De staatssecretaris neemt dit misverstand in duidelijke bewoordingen weg: 'Terzake gelden namelijk de algemene BTW-boekhoudverplichtingen, die voor alle ondernemers gelden.'

En we zien derhalve dat de regeling eigen boekhoudverplichtingen schept (bovenop artikel 34 Wet OB) voor handelaren in beleggingsgoud. En daar waar binnen de Wet omzetbelasting een boekhoudverplichting bestaat, is ondenkbaar dat die zou zien op iemand die niet erkent wordt als belastingplichtige voor die Wet.

En zoals hierboven meermalen is toegelicht, voorziet de bijzondere regeling in toezicht op de markt. Belanghebbenden kwalificeren vanwege deelname aan die markt voor dit toezicht en wensen aan dit toezicht op hun beurt ook rechtsbescherming te ontlenen.

Deze rechtsbescherming houdt in dat belanghebbenden als belastingplichtige worden erkend, periodiek aangifte doen, verschuldigde omzetbelasting op aangifte voldoen, verzoeken om teruggaaf indienen en voorts een boekhouding voeren rekening houden met artikel 34 Wet OB en de zwaarder voorschriften van artikel 28n Wet OB en artikel 29d Uitvoeringsbeschikking OB.

Naast de bescherming van hun belangen, biedt registratie belanghebbende ook toegang tot de elementaire materiële beginselen van de omzetbelasting, zoals het neutraliteitsbeginsel die zijn voorzien in de Wet OB in het algemeen, maar die (gegeven bijvoorbeeld 28m Wet OB) ook een plaats hebben in de regeling.

Meer subsidiair: belastingplicht ex artikel 1 Richtlijn

Blijkens artikel 1 Richtlijn is de omzetbelasting een algemene verbruiksbelasting op goederen en diensten.

Vanwege het meergenoemde neutraliteitsbeginsel verlangt het stelsel dat daar waar geen (eind)verbruik plaatsvindt, effectief ook geen heffing plaatsvindt casu quo wordt geneutraliseerd.

Juist daar waar edelmetalen gebruikt worden als financieel instrument (welk gebruik dus aankoop, opslag en wederverkoop impliceert), is duidelijk dat geen verbruik plaatsvindt. De baar goud die werd ingekocht wordt immers met exact hetzelfde gewicht weer wederverkocht.

In het algemeen wordt de maatstaf van heffing in de omzetbelasting niet bepaald aan de hand van verbruik. Dat zou ook volstrekt onmogelijk en onuitvoerbaar zijn, als is het alleen al vanwege de subjectieve waarde van verbruik. Daarentegen is gekozen voor een meer objectieve maatstaf, te weten de vergoeding.

Echter juist ten aanzien van goederen waarin belanghebbenden handelen geldt dat hier het verbruik (of beter gezegd: het non-verbruik) wel exact en ook objectief meetbaar is. Indien aan de administratieve voorwaarden wordt voldaan waarin de BTW-regelgeving in het algemeen, maar zeker de bijzondere regeling, voorziet, kan achteraf exact worden gemeten dat het verbruik 'nul' is geweest.

Meer subsidiair kan aan artikel 1 Richtlijn derhalve een recht ontleent worden om door middel van registratie als belastingplichtige ook geheel overeenkomstig dit neutraliteitsbeginsel behandeld te kunnen worden.
Afspraak maken? Uitsluitend via:
Terug naar de inhoud